Cursussen Space Week 5 Les 20 / 34
Objecten krimpen bij hoge snelheid
NASA — New Radiation Zones on Jupiter

Objecten krimpen bij hoge snelheid

Wat er nog meer gebeurt als je vlak onder c gaat

Pak een liniaal van precies één meter. Nu laat je hem met 90% lichtsnelheid langs je heen flitsen. Die liniaal zal, op het moment dat hij voorbijkomt, slechts 44 centimeter lang zijn. Niet door optische illusie. Niet door compressie. Hij is écht korter geworden in de richting van zijn beweging. Ruimte zelf geeft mee, net als tijd. Dat is lengtecontractie, en het is even vreemd als noodzakelijk.

Waarom ruimte wel moet meegeven

In de vorige les zag je dat tijd trager tikt voor snel bewegende objecten. Maar dat kan niet op zichzelf staan — dan zouden er logische tegenstrijdigheden ontstaan. Kijk naar de muonen uit de vorige les. Vanuit onze aardse kijk halen ze de grond omdat hun tijd trager tikt; ze leven dankzij tijdsdilatatie lang genoeg om 15 kilometer af te leggen. Prima. Maar wissel nu van gezichtspunt: kruip in het muon. Voor hem tikt zijn eigen tijd gewoon normaal door. Hij leeft 2,2 microseconden en geen fractie langer. Hoe komt hij dan toch bij de grond?

Het antwoord: in zijn gezichtspunt is de atmosfeer zelf korter. Wat voor ons 15 kilometer dikte is, is voor hem anderhalve kilometer. Die anderhalve kilometer legt hij makkelijk af in zijn korte leven. Beide perspectieven — tijdsdilatatie vanuit onze kant, lengtecontractie vanuit zijn kant — leiden tot dezelfde uitkomst: muon bereikt de grond. De natuurwetten moeten consistent zijn tussen waarnemers, en dat kan alleen als ruimte én tijd allebei meebuigen.

✦ De formule, spiegelbeeld van tijdsdilatatie

Lengte L = L₀ × √(1 − v²/c²). Waar tijd wordt vermenigvuldigd met gamma, wordt lengte gedeeld. Bij 50% c krimpt een 1-meter-liniaal tot 87 cm. Bij 87% c tot 50 cm. Bij 90% c tot 44 cm. Bij 99% c tot 14 cm. En bij 99,9% c zou diezelfde meter krimpen tot 4,5 cm — een fractie van zijn oorspronkelijke lengte.

De trein en de tunnel

Er is een klassiek gedachte-experiment dat lengtecontractie tastbaar maakt. Stel je een trein van 100 meter lang en een tunnel van 100 meter lang. Bij normale snelheid past de trein precies. Versnel de trein nu tot 87% van de lichtsnelheid. Vanuit het perron gezien is de trein geen 100 meter meer, maar 50. Hij past dus twee keer in de tunnel, met 50 meter tunnel over aan elke kant.

Maar stap nu in de trein. Voor de passagiers is hun trein gewoon 100 meter — die meet je binnen je eigen referentie-stelsel altijd als normaal. Wat zien zij? Een tunnel die hun te snel tegemoet komt. En die tunnel is voor hen niet 100 meter, maar 50 meter kort. De trein van 100 meter past dus nooit in een tunnel van 50 meter — de trein puilt aan twee kanten uit!

Wie heeft gelijk? Allebei. Dit heet de relativiteit van gelijktijdigheid. Twee gebeurtenissen — "neus van de trein raakt tunneleinde" en "achterkant van de trein gaat tunnelingang in" — zijn voor de perronwaarnemer tegelijk (trein zit volledig in de tunnel), maar voor de treinpassagier niet tegelijk. Voor hen gebeurt het ene ruim voor het andere. Wat "tegelijkertijd" betekent hangt af van je beweging. Er is geen universele klok die voor iedereen "nu" aanwijst.

Waarom je het zelf nooit voelt

Stap je in een raket en vlieg je met 90% lichtsnelheid, dan merk je van die contractie helemaal niets. Je lichaam voelt normaal, de raketcabine voelt normaal, je koffiemok heeft dezelfde afmetingen als altijd. Lengtecontractie is geen eigenschap van een object op zichzelf, maar iets dat waarnemers zien als ze in verschillende snelheden leven. Binnen je eigen referentie-stelsel ben je altijd normaal lang.

Wat je wél zou zien, is dat de wereld buiten jouw raam is ingekort. De hele Melkweg, voor een raket bij 99,9% c, zou maar een paar duizend lichtjaar diameter lijken te hebben in plaats van 100.000. De afstanden krimpen mee met je perspectief.

✦ Interstellair reizen wordt haalbaar — bijna

Een reis naar de dichtstbijzijnde ster, Proxima Centauri, is 4,2 lichtjaar ver. Bij 99% lichtsnelheid duurt die reis voor iemand op aarde 4,3 jaar. Maar voor de reiziger zelf, die zijn eigen tijd gewoon ziet tikken en een gecontraheerde ruimte voor zich heeft, duurt het slechts 7 maanden. Nog dichter bij c, zeg 99,99%, en Proxima is een kwestie van weken. Het probleem is niet fysica. Het probleem is brandstof: je hebt een onvoorstelbaar energetisch budget nodig om een bemande raket tot zulke snelheden te versnellen.

Ruimtetijd — waarom het allemaal samenhangt

Na 1905 werkte de wiskundige Hermann Minkowski — toevallig Einstein's oude wiskundeleraar in Zürich — de theorie om in een elegantere vorm. In 1908 hield hij een beroemde lezing waarin hij verklaarde: "Vanaf nu zullen ruimte voor zichzelf en tijd voor zichzelf verdwijnen in het niets, en alleen een vorm van vereniging van de twee zal zelfstandig bestaan." Hij noemde die vereniging ruimtetijd.

Het idee is verrassend simpel. Elk punt in ruimtetijd is een "gebeurtenis" met vier coördinaten: drie voor de plaats, één voor de tijd. Twee waarnemers meten verschillende afstanden en verschillende tijden tussen dezelfde twee gebeurtenissen, maar als je ze combineert in de Minkowski-formule — een soort vier-dimensionale pythagoras — krijg je een getal dat voor iedereen gelijk is. Die "ruimtetijd-afstand" is absoluut. Alleen de projectie in ruimte en tijd apart verandert per waarnemer.

Vergelijk het met een wandelstok. Kijk er recht van voren naar, en je ziet een cirkel. Kijk er van opzij naar, en je ziet een lange lijn. De stok verandert niet — jouw projectie ervan wel. Zo werkt ruimtetijd: de onderliggende gebeurtenissen staan vast, maar hoe je ze verdeelt over "ruimte" en "tijd" hangt af van je beweging.

De lichtsnelheid als harde muur

Een direct gevolg van de formule voor gamma is dat niks met massa ooit de lichtsnelheid kan halen. Bij v = c wordt γ = 1/√0, en dat is oneindig. Oneindige tijdsdilatatie, oneindige lengtecontractie, oneindige energie nodig. De lichtsnelheid is geen snelheidsbeperking zoals op een autoweg, maar een onoverschrijdbare grens die in de structuur van ruimtetijd zelf ligt.

Alleen objecten zonder massa — fotonen (licht zelf), gluonen — reizen met c. Ze hebben geen keus: voor hen is c geen maximum maar het enige. Alles met massa, van atomen tot olifanten, zit altijd onder c. In deeltjesversnellers zoals het CERN komt men er griezelig dichtbij: protonen halen daar 99,9999991% van de lichtsnelheid. Maar die laatste stap naar 100% kost oneindige energie, en die heeft niemand.

Drie dingen om mee te nemen

  1. Ruimte krimpt net als tijd rekt. Een snel bewegend object is korter in zijn bewegingsrichting, gezien vanuit een stilstaande waarnemer. Bij 90% c: een meter wordt 44 cm. Bij 99% c: een meter wordt 14 cm.
  2. Gelijktijdigheid is relatief. Twee gebeurtenissen die voor jou tegelijk zijn, zijn voor iemand die beweegt niet tegelijk. Er is geen kosmische klok die voor iedereen "nu" aanwijst.
  3. Ruimte en tijd zijn één ding. Wat we voorheen als twee losse zaken zagen, blijkt één geheel — ruimtetijd. De onderliggende afstand tussen gebeurtenissen is wél absoluut, alleen de verdeling in ruimte en tijd verandert per waarnemer.

In de volgende les gaan we de tweede grote sprong maken: Einstein's algemene relativiteitstheorie uit 1915. Daar is zwaartekracht geen kracht meer, maar een kromming van ruimtetijd. We stappen in een vallende lift, kijken naar een experiment in de kelder van Harvard, en ontdekken waarom tijd langzamer tikt dichtbij de aarde dan hoog in de bergen.

Tot dan. Blijf nieuwsgierig.

Cursus
↑ Overzicht